Michel de Montaigne, comparatief denker?

Ik zou het mijn landgenoten graag vergeven dat zij alleen hun eigen zeden en gewoontes als voorbeeld en richtsnoer nemen voor wat volmaakt is; want het is een algemene fout, niet alleen van het gewone volk, maar van bijna iedereen, niet verder te kijken dat het nest waarin je geboren bent.” (I.49)

Allicht kan men bij Montaigne veel lezen dat hem als ‘voorloper’ van de ene of de andere denkrichting kenmerkt, maar dit is veeleer te wijten aan zijn groot intuïtief inzicht en de mate waarin hij situaties weet te observeren, doorgronden en af te wegen, dan aan een echte filosofie. Zijn veelzijdige, toegankelijke denkwijze en de uitgebreide keuze aan herkenbare, menselijke thema’s en situaties, verklaren tevens zijn populariteit tot op vandaag. Montaigne is ‘in’. Zelf had hij waarschijnlijk nooit verwacht (misschien wel heimelijk gehoopt) dat hij zovele eeuwen later nog steeds de aandacht zou behouden.

Als comparatieve filosofie erin bestaat de oppervlakte van de onvergelijkbare fenomenen te verlaten en af te dalen naar een diepteniveau waar culturen, hun wereldbeelden en filosofieën op een zinvolle manier bespreekbaar en vergelijkbaar worden, dan zijn we ook bij Montaigne aan het goede adres. Want wie verdedigt beter dan hij het onderzoeken van de eigen aandriften, gedachten en gevoelens, en de invraagstelling van de eigen gewoonten en culturele paradigma’s zoals hij dat doet in zijn
Essais? Als renaissancehumanist stelt hij de mens centraal (zonder daarbij het geloof te verloochenen), en als geen ander pleit hij ervoor niet te snel te (ver)oordelen, maar vooral te trachten zich in andermans standpunten te verplaatsen en te kijken wat er van hen te leren valt.

De comparatieve filosofie vertrekt van de culturen in hun oppervlaktestructuur, hun zichtbare kenmerken. Deze kenmerken zijn echter de uitdrukking (“de buitenkant”) van de filosofische onderstroom die zich vanuit de universele diepte manifesteert, de antwoorden op de levensvragen die elke mens zich stelt in confrontatie met de grenssituaties van het leven. Het komt er in de comparatieve filosofie op aan af te dalen naar die diepte, om een cultuur te onderzoeken daar waar ze vergelijkbaar wordt met andere.

Indien we culturen vergelijken in het oppervlakteniveau kunnen we hooguit komen tot een naast elkaar plaatsen of inventariseren van de verschillende uiterlijke kenmerken. Dit zou een vat vol contradicties worden: de ene cultuur hanteert een godsconcept, de andere niet; of hier is er een zielsbegrip, maar in die andere cultuur weer niet; een geloof in het voortbestaan na de dood of niet… en zo voort. Culturen kunnen we trouwens nooit in hun geheel vergelijken, net zo min als men bijvoorbeeld twee personen met elkaar zou kunnen vergelijken: zij zijn nooit in hun geheel gelijk, noch zouden we een uitputtende lijst van al hun kenmerken kunnen opstellen. We zouden al snel tot een conclusie van onvergelijkbaarheid komen en, wat cultuur betreft, ofwel één cultuur als uitgangspunt (norm) nemen – en dan begint het gekibbel welke dat zal zijn - ofwel de vergelijking gewoon opgeven. Geen van beide conclusies brengt culturen dichter bij elkaar. Integendeel, ze bieden allebei een excuus om geen inspanningen te moeten doen om de andere ernstig te nemen en een dialoog op voet van gelijkheid te voeren. In het oppervlakteniveau van culturen zullen we dus niet de criteria vinden die vergelijking toelaten.

Meestal kennen we maar één cultuur grondig en diepgaand, en dat is onze eigen cultuur. Hoewel we daar kritisch kunnen naar kijken, zullen we ons nooit helemaal kunnen losmaken van het culturele kader waarin we zijn opgegroeid. Maar we kunnen wel andere culturen gebruiken om ons een spiegel voor te houden en ons van onze eigen paradigma’s en stereotiepen bewust te worden, zodat we deze niet (on)bewust als criterium of zelfs norm voor de rest van de wereld poneren.

We kunnen wel tot vergelijking komen als we afdalen naar een dieptestructuur, vrij van culturele paradigma’s. Tegen alle schijn in is dit vrijhouden van paradigma’s geen onmogelijke opgave. Het kan slagen als we ons blijvend de vraag stellen of de andere geen gelijk kan hebben en wij ongelijk (Popper), zo steeds onze eigen intuïties in dit licht onderzoekend. En het is net deze voortdurende bevraging die aan de basis ligt van heel Montaignes aanpak.

Lees de volledige tekst (met eindnoten)