COMPARATIEF FILOSOFISCHE DENKWIJZE EN MODEL VAN ULRICH LIBBRECHT

Oppervlakte- en dieptestructuur

De comparatieve filosofie vertrekt van de culturen in hun oppervlaktestructuur, hun zichtbare kenmerken. Deze kenmerken zijn echter de uitdrukking (“de buitenkant”) van de filosofische onderstroom die zich vanuit de universele diepte manifesteert, de antwoorden op de levensvragen die elke mens zich stelt in confrontatie met de grenssituaties van het leven. Het komt er in de comparatieve filosofie op aan af te dalen naar die diepte, om een cultuur te onderzoeken, daar waar ze vergelijkbaar wordt met andere.

Indien we culturen vergelijken in het oppervlakteniveau kunnen we hooguit komen tot een naast elkaar plaatsen of inventariseren van de verschillende uiterlijke kenmerken. Dit wordt een vat vol contradicties: de ene cultuur hanteert een godsconcept, de andere niet; of hier is er een zielsbegrip, maar in die andere cultuur weer niet; een geloof in het voortbestaan na de dood of niet… . Culturen kunnen we trouwens nooit in hun geheel vergelijken, net zo min als men bijvoorbeeld twee personen met elkaar kan vergelijken: zij zijn nooit in hun geheel gelijk, noch kunnen we een uitputtende lijst van al hun kenmerken opstellen. We zouden al snel tot een conclusie van onvergelijkbaarheid komen en, wat cultuur betreft, ofwel één cultuur als uitgangspunt (norm) nemen – en dan begint het gekibbel welke dat zal zijn - ofwel de vergelijking gewoon opgeven. Geen van beide conclusies brengt culturen dichter bij elkaar. Integendeel, ze bieden allebei het excuus geen inspanningen te moeten doen om de andere ernstig te nemen en een dialoog op voet van gelijkheid te voeren. In het oppervlakteniveau van culturen zullen we dus nooit de criteria vinden die vergelijking toelaten.

Culturele gedragspatronen worden aangeleerd (nurture); ze worden dus niet van nature via overerving doorgegeven (nature). Meestal kennen we maar één cultuur grondig en diepgaand, en dat is onze eigen cultuur. Hoewel we daar kritisch kunnen naar kijken, zullen we ons nooit helemaal kunnen losmaken van het culturele kader waarin we zijn opgegroeid. Maar we kunnen wel andere culturen gebruiken om ons een spiegel voor te houden en ons van onze eigen paradigma’s en stereotiepen bewust te worden, zodat we deze niet (on)bewust als criterium of zelfs norm voor de rest van de wereld poneren.

We kunnen wel tot vergelijking komen als we afdalen naar een dieptestructuur, vrij van culturele paradigma’s. Tegen alle schijn in is dit vrijhouden van paradigma’s geen onmogelijke opgave. Het kan slagen als we ons blijvend de vraag stellen of de andere geen gelijk kan hebben en wij ongelijk (Popper), zo steeds onze eigen intuïties in dit licht onderzoekend.

Waarom een model en geen filosofische theorie?

Het doel van Libbrecht was, een comparatief wijsgerige denkwijze visueel te maken via een model. Dergelijke comparatieve methode is geen filosofie, en al zeker geen filosofische theorie. Ze is erop gericht “
in het bestaande mondiale spanningsveld van grote wereldculturen zowel de ‘universalistische’ als de ‘relativistische’ stellingname te overwinnen”, (Libbrecht, 1999:13). De comparatief filosofische denkwijze hoedt er zich voor in waarde-oordelen te vervallen bij het vergelijken van culturen. Integendeel, haar doel is elke cultuur – van welk tijdperk ook – een plaats te geven, mét behoud van eigenwaarde en zelfrespect. Ze ziet elke cultuur als een antwoord op de primordiale levensvragen die voor elke mens dezelfde zijn. Deze antwoorden worden echter zeer divers geformuleerd, het zijn oppervlaktestructuren: ze verschillen vaak zodanig dat er nauwelijks overeenkomsten te vinden zijn. Maar door het zich onthouden van waarde-oordelen vermijdt de comparatief filosofische denkwijze in patstellingen te vervallen. Alle antwoorden op de levensvragen zijn “even (on)waar”. Om van de waarneembare oppervlaktestructuur af te dalen naar de dieptestructuur, waar culturen samenkomen (nl. in het stellen van dezelfde levensvragen), moeten we een proces van actieve reductie toepassen, d.i. de oppervlaktestructuren op niet-arbitraire wijze ontdoen van hun complexiteit aan verschijnselen en ze vertalen naar een beschrijvend patroon. Het gaat hier om een reductie naar universele patronen.

Een comparatief filosofisch model moet eenvoudig en coherent zijn, d.w.z. interne samenhang garanderen. Het moet ook aan élke cultuur een plaats bieden, d.w.z. het moet zodanig vrij van paradigma’s zijn dat geen enkele cultuur uit de boot valt. Dit betekent dat het ook tegenstrijdigheden moet kunnen huisvesten (bijvoorbeeld: er zijn culturen met een godsconcept, en andere zijn atheïstisch). Hier ligt het verschil met een theorie, die een idee vooraf poneert. Bovendien moet de comparatief filosofisch denker zich bewust zijn van zijn eigen culturele achtergrond en hoe die interfereert met de wijze waarop hij naar andere culturen kijkt. Hij moet zijn gekleurde bril kunnen afzetten, of minstens weten wanneer deze kleur hem in zijn waarneming beïnvloedt.

Comparatief filosofisch model volgens Libbrecht

De weergave hieronder en de bijhorende toelichting kunnen onmogelijk recht doen aan de kracht van het model zoals het door Libbrecht in zijn meerdelig werk “Inleiding Comparatieve Filosofie” (zie referentie hieronder) in detail is uitgewerkt. In deze weergave wordt bovendien een combinatie gemaakt tussen Libbrechts basisgedachte over energie (linkerzijde van het diagram) en de informatieve functies (het eigenlijke driehoeksmodel van Libbrecht).


Schermafbeelding 2012-09-20 om 21.00.38

De menselijke informatieve functies: kennis en beleving

In het comparatief filosofisch model van Libbrecht is het vertrekpunt steeds de wereld van de verschijnselen, de natuur, d.i. de kosmos. Hierin spelen twee basisbegrippen de hoofdrol:
energie en informatie. De energie, die in haar (kosmisch) geheel steeds constant blijft (wet van behoud van energie) kent gradaties tussen volledig gebonden (immanent, gericht op het overleven) en volledig vrij (transcendent). De levende natuur kan beschreven worden in niveaus van vrije energie, d.i. energie die niet weer geïnvesteerd moet worden in het in stand houden van het lichaam of de soort.

De informatie over de wereld komt tot ons via twee functies, die in de mens aanwezig zijn: een redelijke (
rationele) functie, en een belevingsfunctie (mystieke functie). Beide wortelen ze in de natuur, d.w.z. ze verdwijnen wanneer het lichaam sterft. De rationele functie objectiveert de wereld die wordt waargenomen en verklaart hem in logische schema’s, d.w.z. ze tracht de subjectiviteit van de waarnemer weg te snijden (SO, cf. wetenschappelijke methode), maar daarmee legt ze die andere, aanzienlijke informatiebron, nl. van de ervaring of beleving, in extremis lam. Deze belevingsfunctie levert ons informatie over de wereld door te kijken hoe wij hem ervaren. Hier wordt de subjectiviteit van de waarnemer dus een belangrijke factor. De limiet van deze functie ligt ditmaal niet in het uitschakelen van het object, maar veeleer in het samenvallen van subject en object (S=O), waardoor alle onderscheid tussen beide verdwijnt. In de beleving zijn er ook gradaties te onderscheiden: we kunnen het bv. hebben over ‘lagere’ en ‘hogere’ gevoelens, die we in het comparatief filosofisch model van Libbrecht duiden door gerichtheid op het subject of uitgaande van het subject (ego-, resp. alter-intentionaliteit). In het eerste geval betrekken we de wereld op onszelf (SO), in het andere geval keren we dit om en richten we onszelf naar de wereld (SO). Magie is bijvoorbeeld een ego-intentionele manier om ons in de wereld te handhaven: we plengen offers opdat de goden ons gunstig gezind worden en ervoor zorgen dat we het goed hebben. Op een hoger niveau, in de omkering naar de alter-intentionaliteit, wordt men ontroerd en tot zachtmoedigheid en mededogen bewogen, ontvankelijk voor het mysterie van het bestaan.

De mens bekijkt de wereld in het ideale geval vanuit het centrum, d.w.z. evenwichtig tussen de drie invalshoeken (elke hoek is een limietsituatie die door de mens niet verwezenlijkbaar is). In praktijk bewegen we ons, als waarnemer van en handelaar in de wereld, tussen de drie hoekpunten, d.w.z. soms meer vanuit rationele hoek, dan weer vanuit de beleving, of zuiver uit natuurlijke hoek, maar altijd vanuit een mix die voortdurend verandert (weergegeven door de bewegende cirkel in het midden van de driehoek).

De drie hoeken van het model

De punten van de driehoek zijn limietsituaties, dit betekent extremen die in werkelijkheid niet voorkomen. De mens zal nooit zichzelf helemaal buiten de wereld kunnen zetten (S
O), noch er helemaal mee samenvallen (S=O), en ook niet meer terugvallen naar het volledig opgaan in een Umwelt zoals de dieren (SO). Maar limietsituaties laten zich nu eenmaal gemakkelijker en duidelijker beschrijven dan de ‘grijze zones’ tussenin.

De onderste hoek is die van de natuur, de immanentie, waar alles ‘op natuurlijke wijze vanzelf wordt’. Dit is de hoek van het WORDEN, van de voortdurende, cyclische verandering (seizoenen, leven en dood), het best tot uiting gebracht in het Taoïsme maar even representatief voor verscheidene andere culturen in heden en verleden, nl. zij die voor hun overleven en functioneren aangewezen zijn/waren op de natuur (bijvoorbeeld Indianen, Australische Aboriginals, Polynesiërs) maar ook de fundamenteel agrarische culturen (bv. Inca’s, Egyptenaren).

Aan het andere uiteinde, langs de kennis-as, komen we uit in de limiet van de Zuivere Rede, de Ratio. Op dit niveau is de energie helemaal vrij (transcendentie), en alle informatie is gekend, d.w.z. dit is een toestand van omniscientia. Dit is de hoek van het ZIJN, er valt daarbuiten niets meer te kennen – een toestand van volkomen inzicht. Hier herkennen we de zijde van het westers rationalisme. Denk bijvoorbeeld aan het objectiviteitsstreven van de wetenschap (de invloed van de waarnemer uitsluiten).

Nemen we echter de limiet langs de belevingsas, dan komen we terecht in een toestand van volledige beleving, een samenvallen met de hele kosmos, d.w.z. een toestand waarin niets meer kan gezegd worden omdat er geen onderscheid meer is. (Denk bv. aan de onmacht van mystiekers die geen woorden vinden om hun ervaring echt te beschrijven.) Dit is de hoek van het NIET-ZIJN, van de Zuivere Ervaring, de conceptuele Leegte – een toestand van verlichting (illuminatie), bij uitstek vertegenwoordigd in de filosofie van het Boeddhisme.

Andere culturen

Taoïsme, Boeddhisme en westers rationalisme zijn de drie filosofieën die de hoekpunten van het model representeren. Maar elke cultuur kan via actieve reductie van haar cultuuruitingen teruggebracht worden tot kerngedachten en in het model geplaatst worden. Bij Libbrecht vinden we volgend (niet-exhaustief) overzicht:


Schermafbeelding 2012-09-23 om 17.36.27

Het spreekt vanzelf dat een dergelijke plaatsing onderhevig is aan verschuivingen, al naargelang het onderzoek naar culturen vordert (bv. op basis van archeologische ontdekkingen) of er evoluties plaatsvinden onder invloed van moderne factoren (bv. technologie, globalisering, e.d.). Maar met deze wijzigingen kunnen omgaan is net de kracht van het comparatief filosofisch model als model: het is geen theorie maar een handig en bruikbaar instrument om de wereld te begrijpen.

Meer lezen:

Libbrecht, U.: Inleiding Comparatieve Filosofie I-III, Van Gorcum, Assen, 1999-2005
Libbrecht, U.:
Burger van de Wereld, Damon, Budel, 2001
Libbrecht, U.:
Oosterse Filosofie, Davidsfonds, Leuven, 1995
Libbrecht, U.:
Waarom comparatieve filosofie?, Filosofie, jrg. 17, nr 6, 2007